Het begin van de aandelenhandel
Dankzij de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) is in Amsterdam de aandelenhandel begonnen, deze handel zou ook leiden tot een aparte effectenbeurs.
De VOC, opgericht in 1602, was de eerste onderneming ter wereld die aandelen te koop aanbood aan het grote publiek. Iedereen kon zich in 1602 inschrijven op de aandelen in de VOC. Het verschuldigde kapitaal diende vervolgens vanaf 1603 tot en met 1606 in vier jaarlijkse termijnen ingelegd te worden. Het in 1602 door de VOC geplaatste aandelenkapitaal was dus pas in 1606 in zijn geheel gestort. Afgezien van enkele kleine aanpassingen waardoor het aandelenkapitaal nog licht steeg tot f 6.440.200, is het aandelenkapitaal gedurende het bestaan van de VOC gelijk gebleven. Voor de verdere financiering van de activiteiten werd vooral gebruik gemaakt van kortlopende leningen.
De mogelijkheid om VOC-aandelen te verhandelen betekende het begin van de aandelenhandel in Amsterdam. Op het kantoor van de VOC in Amsterdam werd een register bijgehouden van de op naam gestelde aandelen. Als aandelen van eigenaar wisselden, moest de koper met twee getuigen naar het VOC-kantoor komen om de aandelen in het register op zijn naam te laten zetten. Enigszins optimistisch wordt dit kantoor van de VOC ook wel de eerste aandelenbeurs ter wereld genoemd. Amsterdam had geen koopmansbeurs, in tegenstelling tot steden als Antwerpen, Londen en Rotterdam. Er werd nog op straat gehandeld in Amsterdam.
Voor meer informatie over de VOC-aandelen, klik hier.
In 1607 werd door het stadsbestuur besloten dat er ook in Amsterdam een koopmansbeurs gebouwd moest worden. De bouwmeester Hendrick de Keyser werd naar Londen gestuurd om daar het gebouw van de koopmansbeurs eens goed te bekijken. Nog datzelfde jaar werd door Hendrick de Keyser een ontwerp gemaakt voor de koopmansbeurs in Amsterdam. Het stadsbestuur keurde dit ontwerp goed en gaf opdracht om meteen met de bouw te beginnen. In 1611 was het gebouw gereed.
Onderstaande prenten laten zien hoe Hendrick de Keyser zich bij zijn ontwerp heeft laten inspireren door het gebouw van de koopmansbeurs te Londen.

Bron: Rijksmuseum Amsterdam: Beurs van Londen.

Bron: Rijksmuseum Amsterdam: Beurs de Keyser.
Nadat in 1602 ingeschreven kon worden op de aandelen van de VOC, diende deze in vier termijnen tussen 1603 en 1606 volgestort te worden. De handel in deze volgestorte aandelen was dus vanaf 1606 mogelijk. Na het in gebruik nemen van de koopmansbeurs in 1611 werd de straathandel in aandelen verboden en verplaatst naar de koopmansbeurs.
Het buskruitverraad
Na het succes van de VOC werd in 1621 de West-Indische Compagnie (WIC) opgericht. Zowel de VOC als de WIC hadden de opdracht om, naast het drijven van handel, ook zoveel mogelijk schade toe te brengen aan Portugese en Spaanse belangen in Azië. Sinds 1568 was Nederland verwikkeld in een oorlog met Spanje die de geschiedenis zou ingaan als de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). Omdat Portugal onder Spaans bestuur stond, waren de acties ook gericht tegen Portugese belangen. Spanje financierde de oorlog onder andere uit de opbrengsten van de Portugese handel in Azië. Naast het ondermijnen van de financiering van de oorlog was ook de overname van lucratieve activiteiten, zoals de specerijenhandel, een doel.
In 1609 was er een wapenstilstand afgesloten met Spanje die in 1621 afliep, en het was duidelijk dat, ook door de activiteiten van de VOC en de oprichting van de WIC, de oorlog weer hervat zou worden.
In aanloop naar de hervatting van de oorlog deden in Amsterdam geruchten de ronde over mogelijke complotten en aanslagen. Het gerecht was hierdoor extra alert en wist zo in juli 1622 een terreuraanval te voorkomen.
De Spaanse opperbevelhebber Spinola wilde Nederland ruïneren door Amsterdam, het economisch handelscentrum van Nederland, te vernietigen. De door Spinola ingehuurde aanslagplegers moesten strategische locaties, zoals het stadhuis en het hoofdkantoor van de VOC, opblazen.
Door het gerecht werd in de woning van Balthasar Paul een zelfgemaakte bom ontdekt, bestaande uit een doos gevuld met buskruit, vuurwerk, zwavel, hars, ijzer en een lantaarn die als ontstekingsmechanisme moest dienen. Na deze ontdekking vluchtte Balthasar Paul naar Leeuwarden; zijn vrouw werd gearresteerd. Bij het verhoor verklaarde ze dat zeven andere personen ook dergelijke bommen hadden gemaakt.
Balthasar Paul werd op verzoek van het Amsterdamse gerecht gearresteerd en vervolgens veroordeeld wegens hoogverraad. Hij werd op een schavot voor het stadhuis op de Dam terechtgesteld door verwurging. Als verwijzing naar zijn geplande terreurdaad werd zijn lichaam geblakerd met buskruit en werd het lijk ter afschrikking aan een paal gehangen op het galgenveld in de Volewijk.
Op het galgenveld werden de lijken ten toon gesteld overeenkomstig de wijze van terechtstelling. Was de dader door ophanging terechtgesteld, dan werd zijn lijk aan een galg gehangen boven de galgenput, Was de dader geradbraakt, dan werd het lijk op een rad geplaatst en bij verwurging werd het lijk aan een paal gehangen.
Balthasar Paul was de enige dader die werd veroordeeld; de overige verdachten wisten allen te ontkomen. De vrouw van Balthasar werd levenslang verbannen.
Onderstaand een tekening van het galgenveld bij de Volewijk door Anthonie van Borssom. Het doel van deze galgenvelden was om burgers en bezoekers van de stad te waarschuwen voor wat hun te wachten zou staan na het begaan van een misdaad.

Ook de koopmansbeurs was een beoogd doelwit van de aanslagplegers. Het verhaal gaat dat door een spelende weesjongen een boot met buskruit onder de beurs werd aangetroffen.Door vervolgens hard op zijn trommel te slaan wist deze de aandacht te trekken en kon een aanslag worden voorkomen. Hieruit ontstond de traditie van het beurstrommelen, waarbij kinderen eens per jaar op de beurs mochten spelen. In 1903 kwam bij de opening van de Beurs van Berlage een voorlopig einde aan deze traditie. Na een jaar of vijftig werd de traditie door de Beurs van Berlage weer hersteld. Onderstaand twee tekeningen van de traditie van het beurstrommelen.


De doorvaart onder de koopmansbeurs werd na dit voorval in 1622 voorgoed geblokkeerd. Dit is te zien op de latere prenten van de koopmansbeurs.
Ondertussen ging het Nederland in economisch opzicht voor de wind; deze periode zou later omschreven worden als de Gouden Eeuw.
Door de economische voorspoed nam de drukte op de koopmansbeurs toe, ook door de groei van de effectenhandel. In 1668 werd daarom besloten de koopmansbeurs te verbouwen. De bestaande gevel van de beurs werd vervangen door een nieuwe gevel die een stuk naar voren werd gehaald om zodoende de beursvloer uit te breiden.
De onderstaande prenten tonen de beurs voor en na de verbouwing van 1668.

Bron: Rijksmuseum Amsterdam: beurs voor verbouwing.

Bron: Rijksmuseum Amsterdam: beurs na verbouwing.
Het einde van de Gouden Eeuw
Aan het einde van de 17e eeuw begint voor Nederland de neergang als economische en militaire grootmacht.
In 1677 werd er een huwelijk gearrangeerd tussen stadhouder Willem III en zijn volle nicht Maria Stuart, de oudste dochter en troonopvolgster van de Engelse koning Jacobus II. In 1688 wordt Jacobus II vader van een zoon die Maria Stuart verdringt als eerste erfgenaam van de troon.
Jacobus II was sinds 6 februari 1685 koning van Engeland, Schotland en Ierland en was erin geslaagd om in korte tijd veel vijanden te maken als aanhanger van het katholicisme en door zijn streven naar een absolute monarchie.
In samenwerking met het Engelse parlement werd in 1688 een staatsgreep gepleegd door Willem III. De Engelse koning Jacobus II werd afgezet en de troon werd overgenomen door de protestantse Willem III en zijn vrouw Maria Stuart.
Hierdoor was een bondgenootschap ontstaan tussen Nederland en Engeland dat nadelig zou uitpakken voor Nederland. Onder leiding van Willem III werd de militaire macht van Engeland verder ontwikkeld en werd de rol van Amsterdam als centrum van de goederenhandel overgenomen door Engeland.
Meerdere factoren hebben bijgedragen aan de neergang van Nederland als handelsnatie, maar van belang was zeker de geleidelijke verandering van de vroegere handelsgeest naar een bankiersmentaliteit. De tijdens de Gouden Eeuw opgebouwde vermogens werden in toenemende mate gebruikt voor het verstrekken van leningen. Dit zorgde wel voor een sterke groei van de effectenbeurs en van de totale financiële sector.
De ondergang van de WIC en de VOC
In de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783) streden de Amerikanen, met de steun van Frankrijk en Spanje, tegen Engeland voor hun onafhankelijkheid.
Door Engeland werd aan Nederland om militaire en maritieme steun gevraagd, maar dit werd geweigerd met als argument dat Nederland neutraal wilde blijven in dit conflict.
Van neutraliteit was echter geen sprake; via het eiland Sint Eustatius werden wapens en munitie aan de Amerikanen geleverd. In 1779 werd bovendien de Amerikaanse ambassadeur Laurens naar Nederland gestuurd om een lening te regelen om de strijd tegen de Engelsen te kunnen betalen. Daarnaast moest Laurens een handelsverdrag met Nederland sluiten en diplomatieke erkenning regelen voor de Verenigde Staten.
De ambassadeur Laurens werd voordat hij Nederland kon bereiken door de Engelsen onderschept en op basis van de toen bij hem ontdekte documenten werd in 1780 door Engeland de oorlog verklaard aan Nederland.
In deze oorlog, de 4e Engels-Nederlandse oorlog (1780-1784), bleek de Nederlandse marine niet opgewassen tegen de Engelse vloot. De Engelsen veroverden niet alleen het eiland Sint Eustatius, maar ook andere gebieden bestuurd door de VOC en WIC. Naast het verlies van grondgebied werden ook monopolies, zoals dat voor specerijen, verloren. Schepen die met hun lading onderweg waren naar Nederland werden door de Engelsen onderschept en naar havens in Engeland gebracht, waar schepen en lading in beslag werden genomen.
De economische schade voor Nederland was zeer groot en voor de compagnieën was dit in feite het einde. De WIC werd in 1792 opgeheven en in 1796 viel ook het doek voor de VOC.
De gevolgen voor de effectenbeurs
Door de neergang en uiteindelijke ondergang van de compagnieën verminderde de belangstelling voor de aandelenhandel in Amsterdam. De handel in obligaties groeide echter juist door de uitbreiding van de handel met buitenlandse schulden.
De obligatiehandel was tot dan een rustige en voorspelbare markt geweest met leningen van Nederlandse (overheids-)instellingen. Door de opkomst van de handel in buitenlandse leningen veranderde echter de dynamiek van de obligatiehandel.
Veranderingen in politieke en economische verhoudingen, zoals wijzigingen in bondgenootschappen, dreigende conflicten en oorlogen, vertaalden zich in schommelingen in de koersen van buitenlandse obligaties. Deze volatiliteit van de obligatiehandel trok nieuwe en vaak meer speculatief ingestelde handelaren aan.
Bij de effectenhandel hadden zich in de loop van de tijd tradities ontwikkeld die de basis vormden voor de manier van handelen. Niemand kon echter gehouden worden aan deze tradities, waardoor die in toenemende mate onder druk kwamen te staan.
In 1787 werd het Collegie tot Nut des Obligatiehandels opgericht, de eerste organisatie die zich bezighield met de regulering van de obligatiehandel. Een belangrijke activiteit was het controleren van noteringen en het verstrekken van betrouwbare koersgegevens. Deze informatie werd voor het eerst in 1796 door de uitgever N. Cotray gepubliceerd in een prijscourant.
Over de wijze waarop de koersen werden genoteerd ontstond na verloop van tijd onenigheid, wat in 1833 leidde tot de oprichting van de Nieuwe Handel-Sociëteit.
Tegen de noteringswijze van het Collegie bestonden twee bezwaren bij de leden van de Nieuwe Handel-Sociëteit. In de eerste plaats was de traditie ontstaan om de feitelijke koersen aan te passen met een vergoeding voor de handelaren. De hoogste koers werd met 1/4 procent verhoogd en de laagste koers werd met 1/4 procent verlaagd. Daarnaast was het bezwaar dat door het College werd vastgehouden aan een notering met fracties van vierden (1/4, 1/2 en 3/4) terwijl op de meeste andere buitenlandse beurzen de koersen in zestienden (1/16, 2/16, 3/16 etc.) werd genoteerd. Door de groei van de internationale obligatiehandel wilde men de koersen op de verschillende beurzen met elkaar kunnen vergelijken.
Door De Nieuwe Handel-Sociëteit werd besloten om iedere beursdag zelf de werkelijke koersen te verzamelen en deze in samenwerking met het Handelsblad te publiceren. Deze publicatie bleek al snel het vertrouwen te krijgen van de beleggers, waarna ook het Collegie deze noteringswijze overnam.
Een bijzondere beurscrash
De koopmansbeurs van Hendrick de Keyser was gebouwd over het water van het Rokin. Er traden voortdurend verzakkingen en scheuren op waardoor er ook een hele reeks reparaties en verbouwingen noodzakelijk waren.
In 1835 veranderde het gebouw na een nieuwe verzakking in een bouwval, toen herstel niet meer mogelijk bleek werd besloten tot de sloop van het gebouw.
De beurshandel kon vanaf januari 1836 doorgaan in een houten hulpbeurs op de Dam. Zoals uit onderstaande prent blijkt was dit in feite een met houten schuttingen afgezet deel van de Dam vlak voor het Koninklijk Paleis.

De hulpbeurs bleef tot september 1845 in stand, het moment waarop de nieuwe koopmansbeurs, ontworpen door architect J.D. Zocher, in gebruik werd genomen.
De koopmansbeurs van Zocher
Pas in 1840 wordt, na een prijsvraag, besloten om het ontwerp voor een nieuwe koopmansbeurs van de architect Zocher uit te voeren. De prijsvraag was overigens gewonnen door architect Warnsinck, die, net als Hendrick de Keyser, naar Engeland was gegaan om inspiratie op te doen. Zijn ontwerp werd echter wegens vermeend plagiaat niet uitgevoerd; het leek een kopie te zijn van het Coloseum in het Regent’s Park in Londen.
In 1841 begon de bouw van de beurs van Zocher en deze werd in 1845 voltooid. Erg populair zou deze beurs, die al snel de bijnaam “het Mausoleum” kreeg, niet worden. Ook de gebruikers van de beurs waren kritisch; door de positionering bleek het gebouw zeer tochtig. Daarom werd in 1848 besloten het gebouw te voorzien van een dak.
Ontwikkelingen in de organisatie van de effectenhandel
In 1856 besluiten de leden van het Collegie tot Nut des Obligatiehandels en de Nieuwe Handel-Sociëteit om weer te gaan samenwerken in de nieuw opgerichte organisatie het Algemeen Beurs-Comité voor Publieke Fondsen. Door dit Beurs-Comité wordt in 1857 de Effecten-Sociëteit opgericht, met als belangrijkste taken het organiseren van de dagelijkse handel op de beurs en de publicatie van de prijscourant.
Na verloop van tijd kwam men tot het inzicht dat het beter zou zijn de verschillende taken weer samen te voegen en zo werd in 1876 besloten tot de oprichting van de Vereeniging voor den Effectenhandel. Een prioriteit voor de Vereeniging was het streven naar een eigen beursgebouw.
De beurs van Berlage
Al vanaf 1867 werd er gesproken over het vervangen van de beurs van Zocher onder meer omdat de beurs kampte met ruimtegebrek. Het gemeentebestuur zag daarbij niets in de wens van de Vereeniging voor den Effectenhandel voor een eigen effectenbeurs.
In de periode 1881-1889 werd in Amsterdam het Centraal Station gebouwd, wat uiteindelijk zou leiden tot het besluit om de Beurs van Zocher te vervangen door een nieuwe beurs. Na het gereedkomen van het Centraal Station was er sprake van een nieuwe stedenbouwkundige situatie, waarbij een verkeersstroom was ontstaan van het Centraal Station naar het centrum van de stad en omgekeerd.
Op onderstaande foto is in de achtergrond het Centraal Station te zien en verder het verkeer met paardentrams van en naar het station. Duidelijk is dat de beurs van Zocher een goede doorstroming van het verkeer in de weg staat.

Op de plaats van de gebouwen links op de foto werd in 1864 een hotel gepland door de Grand International Alliance Hotel Company, klik hier.
Na een zeer lange procedure met veel gedoe werd in 1896 het ontwerp voor een nieuwe koopmansbeurs van architect H.P. Berlage goedgekeurd. Al tijdens de bouw ontstaan er problemen door verzakkingen en scheuren, maar in 1903 kwam de Beurs van Berlage gereed. In de nieuwe beurs waren er aparte handelsvloeren voor de verschillende markten en dus ook voor de effectenhandel. Onder de nieuwe beurs werden tevens kluizen en safes ingericht voor de opslag van waardepapieren. Het beheer hiervan was in handen van een vennootschap met de toepasselijke naam “Beurskluizen en Safes onder de nieuwe Koopmansbeurs te Amsterdam”.
Vanaf de opening van de Beurs van Berlage werd er door de gebruikers geklaagd over de ventilatie en verwarming van het gebouw. Bovendien ontstonden er door nieuwe verzakkingen weer scheuren in het gebouw. Door de groei van de effectenhandel was er al snel weer een gebrek aan ruimte.
Onderstaand twee ansichtkaarten voorzien van een commentaar op de bouw van een nieuwe beurs en de introductie van de elektrische tram. De eerste kaart is voorzien van een afscheidsgroet aan de oude beurs en de paardentram, de tweede kaart heeft een welkomstgroet voor de nieuwe beurs en de elektrische tram.


Het sentiment over de gemeentelijke uitgaven zal breder onder de Amsterdamse bevolking hebben geleefd. Het gemeentebestuur gaf dan ook geen gehoor aan de verzoeken van de Vereeniging voor de Effectenhandel om een betere ruimte beschikbaar te stellen.
Na de opening van de Beurs van Berlage werd al snel begonnen met de sloop van de Beurs van Zocher.


Bij de gemeente hadden zich ook al partijen gemeld met plannen voor de vrijgekomen locatie, klik hier.
De effectenbeurs van de Vereeniging voor den Effectenhandel

Op bovenstaande postkaart is het hotel Bible te zien. Dit hotel is, samen met enkele aangrenzende gebouwen, eigendom van de maatschappij tot exploitatie van het Hotel Bible. De maatschappij kampt met financiële problemen en als de Vereeniging voor den Effectenhandel een bod uitbrengt van f 850.000, wordt dit door de aandeelhouders geaccepteerd.
Nog geen 6 maanden eerder werd het oude beursterrein aan de eigenaren van de Bijenkorf verkocht voor een prijs van ongeveer 294 gulden per vierkante meter. Door de Vereeniging voor den Effectenhandel wordt bijna tweemaal zo veel betaald, ongeveer 560 gulden per vierkante meter.
Ter financiering van de bouw van hun eigen beursgebouw wordt door de Vereeniging in 1910 een hypothecaire geldlening uitgeschreven van f 3.000.000. De animo onder de leden was groot, want bij de inschrijving werd de lening ongeveer 18 maal overtekend.
Onderstaand een obligatie van deze hypothecaire lening.
Door het gemeentebestuur van Amsterdam waren een aantal voorwaarden gesteld bij de toestemming voor de bouw van de nieuwe effectenbeurs.
Naast de reguliere aandelenbeurs, georganiseerd door de Vereeniging voor den Effectenhandel, bestond er ook de zogenaamde Openbare Beurs. Hier werden veilingen gehouden waarvan bij wet was bepaald dat deze openbaar en voor iedereen toegankelijk moesten zijn. Het ging hierbij om executieveilingen van (hypothecaire) leningen en andere uit de wet voortvloeiende veilingen.
Ten aanzien van deze andere uit de wet voortvloeiende veilingen werd door het gemeentebestuur bepaald dat deze in de Beurs van Berlage moesten worden gehouden. Daarbij werd bij de bouw van de nieuwe effectenbeurs ook als voorwaarde gesteld dat deze met de Beurs van Berlage verbonden moest zijn met een loopbrug. Via deze loopbrug werd de handelaren van de effectenbeurs direct toegang geboden tot de veilingruimte in de Beurs van Berlage.
Op 2 januari 1914 ging de handel in het nieuwe beursgebouw van start. Hiermee werd de sinds de oprichting van de Vereeniging voor den Effectenhandel gekoesterde wens van een eigen beursgebouw werkelijkheid.
Onderstaand een postkaart met centraal de loopbrug tussen de beide beurzen.

Op 28 juli 1914 brak de 1e Wereldoorlog uit en dit was de aanleiding voor het uitvaardigen van de eerste Beurswet. In deze wet werd in artikel 3 de tussen de gemeente Amsterdam en de Vereeniging voor den Effectenhandel gemaakte afspraken over de locaties opgenomen, overigens zonder vermelding van de loopbrug. De wet bevat formele bevoegdheden voor de minister van Financiën voor het toezicht op de beurs. Doordat de neutraliteit van Nederland in de 1e Wereldoorlog gerespecteerd werd, was er geen noodzaak om vanuit Den Haag in te grijpen. In de praktijk bleef de Vereeniging voor den Effectenhandel verantwoordelijk voor de regulering en het toezicht op de effectenhandel.
In 1959 blijkt opnieuw het symbolische belang dat het gemeentebestuur van Amsterdam hecht aan de loopbrug tussen beide beurzen. Het voortbestaan van de beurs van Berlage stond opnieuw ter discussie omdat er weer scheuren in het gebouw waren vastgesteld. De totale kosten voor het herstel van de beurs worden geschat op 13 miljoen gulden, burgemeester van Hall vraagt de raad of men dit bedrag wel echt wil uitgeven voor de renovatie. Toen een aantal raadsleden voorstelden om elders in de stad een nieuwe koopmansbeurs te bouwen stelde de burgemeester dat dit geen optie was. De koopmansbeurs moest onmiddellijk grenzen aan de effectenbeurs, er is niet voor niets een loopbrug tussen beide beurzen, aldus burgemeester van Hall.
De tweede obligatielening van de Vereeniging voor den Effectenhandel
In 1955 werd door de Vereeniging voor den Effectenhandel een obligatielening uitgeschreven voor een bedrag van maximaal 4,5 miljoen gulden. Deze lening was bedoeld om enerzijds de aflopende lening uit 1910 af te lossen, maar had ook een ander doel.
Voor het lidmaatschap van de Vereeniging voor den Effectenhandel waren er bepalingen opgesteld. Er werd onder meer voorgeschreven dat er naast de jaarlijkse contributie ook een entreegeld betaald moest worden en ook diende er een waarborgsom gestort te worden. Voor uittredende leden was bepaald dat deze recht hadden op een vergoeding van f 6000. Als voorwaarde was hierbij gesteld dat de uitkering pas plaats zou vinden na toetreding van een nieuw lid. Doordat inmiddels het aantal uittredingen groter was dan de instroom aan nieuwe leden, was er in de periode 1944-1955 een wachtlijst ontstaan van ruim 300 leden.
De uittredende leden moesten dus inmiddels ruim 10 jaar wachten op hun vergoeding. Voorgesteld werd daarom aan deze leden af te zien van hun recht op deze uitkering en daarvoor in de plaats een uitkering te accepteren uit de opbrengst van de nieuwe obligatielening. Afhankelijk van hun positie op de wachtlijst zouden de leden een vergoeding ontvangen van f 4000 tot f 6000; de meeste uitgetreden leden gingen hiermee akkoord.
In 1978 werd door de Vereeniging voor den Effectenhandel het initiatief genomen tot de oprichting van de European Options Exchange. Hiervoor werd een nieuwe vereniging opgericht. De verwachting was dat de handel in opties ook de handel op de effectenbeurs zou stimuleren, omdat het opties betrof op aandelen die op de effectenbeurs genoteerd waren. Rond het tijdstip van het aflopen van de optiecontracten zouden partijen op de aandelenbeurs actief worden om aan hun uit de optiecontracten voortvloeiende verplichtingen te kunnen voldoen.
In 1997 werd de verenigingsvorm van de effectenbeurs en de optiebeurs omgezet naar een naamloze vennootschap, met als aandeelhouders de leden van de voormalige verenigingen. De nieuwe vennootschappen werden vervolgens ondergebracht in de holding Amsterdam Exchanges.
In 2000 fuseert Amsterdam Exchanges met de beurzen van Parijs en Brussel. Deze beurzen gaan verder onder de naam Euronext.
Bekijk mijn aanbod van oude waardepapieren op verzamelwaar.envees.nl



