Het verhaal over het warenhuis de Bijenkorf en de Leonhard Tietz AG begint in 1903 met de opening van de nieuwe koopmansbeurs van Berlage en de sloop van de oude koopmansbeurs van Zocher.
De Leonhard Tietz AG wil warenhuis bouwen
Na de sloop van de oude beurs wil de gemeente het vrijgekomen grondstuk in het centrum van Amsterdam verkopen. In maart 1904 blijkt dat de gemeente in gesprek is met een Duits bedrijf over de verkoop van het perceel. Dit bedrijf, de Leonhard Tietz AG, exploiteert al warenhuizen in Duitsland en België. Met de bouw van een warenhuis in Amsterdam wil het bedrijf ook de Nederlandse markt betreden.
Dit nieuws zorgt voor grote onrust onder winkeliers die vrezen veel omzet te verliezen door de komst van een warenhuis. De winkeliers doen verschillende alternatieve voorstellen voor het gebruik van het grondstuk om de komst van een warenhuis te voorkomen. Ook andere partijen mengen zich in de discussie met voorstellen over het gebruik van het grondstuk. Hierdoor is een snelle verkoop van het grondstuk aan de Leonhard Tietz AG niet meer aan de orde.
De warenhuizen van de familie Tietz
Leonhard Tietz opent in 1879 een textielwinkel in Stralsund (Duitsland) waar hij het concept van vaste lage prijzen toepast. Dit blijkt een succes; in 1889 opent hij het eerste filiaal, snel gevolgd door andere filialen. In 1905 besluit men van het familiebedrijf een Aktiengesellschaft te maken, de Leonhard Tietz AG. De aandelen van de Leonhard Tietz AG krijgen in 1909, als eerste warenhuisbedrijf, een notering op de Duitse aandelenbeurs.
De firma Hermann Tietz OHG is in 1882 in de Duitse stad Gera opgericht door Oscar Tietz, een broer van Leonhard Tietz. Het kapitaal voor deze firma is verstrekt door een oom, Hermann Tietz, wat ook de naam van de firma verklaart. Ook dit bedrijf hanteert het concept van vaste prijzen met veel succes. De verdere uitbouw van het bedrijf begint in 1886 met de opening van de eerste van een reeks filialen.
De winkels van beide ondernemingen ontwikkelen zich tot indrukwekkende warenhuizen die de onderlinge concurrentie vermijden. De firma Hermann Tietz is vooral actief in het zuiden en oosten van Duitsland. De Leonhard Tietz AG heeft haar filialen in het westen van Duitsland en vanaf 1897 ook in België.
In 1903 richtten twee jongere broers van Hermann Tietz, Markus en Karl Tietz, het warenhuis H & C Tietz op. Ook dit bedrijf wordt medegefinancierd door Hermann Tietz, Het bedrijf wordt in 1926 overgenomen door de Hermann Tietz OHG.
De buitenlandse filialen van de Leonhard Tietz AG
De Leonhard Tietz AG opent in 1897 een eerste warenhuis in Antwerpen, later gevolgd door filialen in Brugge, Mechelen en Sint Niklaas. In 1908 besluit men deze bedrijven onder te brengen in een Belgische vennootschap, de Grands Magasins Leonhard Tietz. Dit bedrijf breidt in 1910 het aantal vestigingen uit met een groot warenhuis in Brussel.
De uitbreiding naar Nederland zou een logische volgende stap zijn geweest voor de Leonhard Tietz AG. In 1904 is deze stap mislukt door de weerstand van de lokale winkeliers tegen de komst van een groot warenhuis.
De geannuleerde verkoop van het oude beursterrein
De gemeente Amsterdam verkoopt in 1905 het oude beursterrein voor 800.000 gulden aan het ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid, onder voorbehoud van goedkeuring door de regering. Het plan was om op het terrein een nieuw Rijkspost- en Telegraafkantoor te bouwen. Uiteindelijk besluit de regering om van de aankoop af te zien.
Het gevolg van deze geannuleerde overeenkomst was wel dat nu bekend was voor welke prijs de gemeente het terrein wilde verkopen. Tot een snelle verkoop van het oude beursterrein leidde dit echter niet.
Het magazijn de Bijenkorf
In 1870 opent de joodse ondernemer S.P. Goudsmit op de Nieuwendijk 132 een winkeltje in garen en band met als naam Magazijn de Bijenkorf. Na het overlijden van S.P. Goudsmit in 1889 wordt de leiding overgenomen door zijn neef Arthur Isaac. Deze Arthur Isaac bouwt, samen met de weduwe Goudsmit en haar zoon Arthur Goudsmit, het bedrijf verder uit.
In 1907 opereert het bedrijf vanuit zes verschillende panden op de Nieuwendijk. Uit praktische overwegingen wil men vier naast elkaar gelegen panden vervangen door één nieuw pand. Daarom besluit men om in juli 1907 een uitverkoop te houden wegens de voorgenomen afbraak van de panden Nieuwendijk 126, 128, 130 en 132.

Het duurt nog bijna twee jaar voordat men met de uitvoering van de bouwplannen begint. Namens het Magazijn de Bijenkorf wordt in juni 1909 bij de gemeente Amsterdam het verzoek ingediend om een gedeelte van het Beursplein te mogen huren voor een hulpgebouw. Met dit hulpgebouw zou de verkoop door kunnen gaan gedurende de bouw van de nieuwe winkel op de Nieuwendijk. De gemeente Amsterdam stemt in met de bouw van een tijdelijke winkel van Magazijn de Bijenkorf op het Beursplein.
Het Magazijn de Bijenkorf koopt het oude beursterrein
Op maandag 11 oktober 1909 begint het Magazijn de Bijenkorf met de verkoop in het hulpgebouw op het Beursplein.
De omzet blijkt tot vijf keer hoger te zijn dan op de oude locatie op de naastgelegen Nieuwendijk. De eigenaren van het Magazijn de Bijenkorf beseffen de waarde van de nieuwe locatie en doen een bod op het oude beursterrein. In een geheime raadsvergadering op 1 december 1909 horen de raadsleden dat het oude beursterrein aan deze eigenaren is verkocht.
Op 15 december 1909 staat het voorstel tot verkoop van het oude beursterrein op de agenda van een openbare zitting van de gemeenteraad. In het voorstel staat dat men van plan is één gebouw van vijf verdiepingen op het terrein te bouwen met aan drie zijden een winkelfront. Op de begane grond zal een nieuwe winkel komen en de andere verdiepingen wil men exploiteren als kantoorruimte.
De oprichting van de vennootschap Grand Magasins de Bijenkorf
Na de aankoop van het oude beursterrein moest de firma Goudsmit op zoek naar kapitaal om de bouw van het warenhuis te realiseren. Het lukt de firma Goudsmit niet om de financiering in Nederland, onder de gewenste condities, rond te krijgen.
Via de Leonhard Tietz AG komt de firma Goudsmit in contact met de Belgische tak van dit bedrijf. Het belangrijkste aanspreekpunt voor de firma Goudsmit is F. Hochheimer, de directeur van het warenhuis Tietz in Brussel. Hij overtuigt de leden van de firma Goudsmit ervan om van Magazijn de Bijenkorf een volwaardig warenhuis te maken.
Bijna twee jaar nadat de gemeenteraad had ingestemd met de verkoop van het oude beursterrein, wordt in oktober 1911 in België de vennootschap Grand Magasins de Bijenkorf opgericht. Het doel van dit bedrijf is het exploiteren van het nieuwe warenhuis Magazijn de Bijenkorf in Amsterdam.
Het maatschappelijk kapitaal van de vennootschap is 8 miljoen franken (4 miljoen gulden). Bij de oprichting is de helft van het maatschappelijk kapitaal geplaatst, namens Leonhard Tietz wordt deelgenomen voor 2 miljoen franken, de Bijenkorf neemt deel voor 1 miljoen franken en het resterende miljoen is geplaatst bij (joodse) vrienden en bekenden.
De nieuwe machtsverhoudingen en het behoud van de joodse identiteit
Op basis van de verdeling van het aandelenkapitaal is de Leonhard Tietz AG nu in feite eigenaar van het Magazijn de Bijenkorf. De leden van de firma Goudsmit willen ook na de oprichting van de vennootschap het bestuur in handen houden. Door de uitgifte van prioriteitsaandelen krijgen de leden van de firma Goudsmit de helft van de stemmen bij de benoeming van bestuurders.
Ook het behoud van de joodse identiteit is voor de firma Goudsmit van belang. Deze joodse identiteit heeft sinds de oprichting in 1870 door S.P. Goudsmit een rol gespeeld. Zo was de winkel op zaterdagen en joodse feestdagen gesloten en zocht men bij voorkeur joods personeel. Omdat de familie Tietz ook joods is en in hun bedrijven een vergelijkbaar personeelsbeleid voert is het behoud van de joodse identiteit geen probleem. De sluiting van het warenhuis op zaterdag en joodse feestdagen verdwijnt na verloop van tijd wel, omdat hierdoor te veel omzet verloren gaat.
De bouw van het warenhuis
Na de aankoop van het oude beursterrein wordt de bouw van de nieuwe winkel op de Nieuwendijk afgeblazen. De voor dit project ingehuurde architect J.A. van Straaten krijgt nu de opdracht een gebouw te ontwerpen voor de nieuwe locatie, het oude beursterrein.
Het oorspronkelijke plan was om het nieuwe gebouw in twee fases te bouwen, de totale bouwtijd zou dan zo’n vier jaar bedragen. Nadat de financiering eindelijk rond was, besloot men om het gebouw toch in één keer te bouwen en zo de totale bouwtijd met twee jaar te verkorten.
Allereerst werd er een nieuw hulpgebouw op het Beursplein gebouwd om zo het bouwterrein vrij te maken voor de bouw van het warenhuis.
In de achtergrond is de in aanbouw zijnde beurs van de Vereeniging voor den Effectenhandel te zien, die op 2 januari 1914 in gebruik zou worden genomen.
Lees hier meer over de Amsterdamse beursgeschiedenis.
De opening van het nieuwe warenhuis
Op 3 september 1914 wordt het nieuwe gebouw van Magazijn de Bijenkorf geopend, maar het is niet de feestelijke opening zoals men die graag had gezien.
Omdat tijdens de bouw de betonwerkers meerdere maanden in staking waren geweest, is het gebouw bij de opening niet afgebouwd. Daarom is besloten om alleen de begane grond te openen en de andere etages pas in gebruik te nemen als deze zijn afgebouwd.
De in de advertentie genoemde ontzettende gebeurtenissen slaan natuurlijk op het oorlogsgeweld dat zou uitmonden in de Eerste Wereldoorlog.
Het begin van de Eerste Wereldoorlog
Kort na de annexatie van Bosnië door Oostenrijk worden de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand en zijn vrouw, tijdens een bezoek aan de Bosnische hoofdstad Sarajevo, gedood. Als verklaring voor zijn daad geeft de dader aan bezwaar te hebben tegen de annexatie door Oostenrijk en voorstander te zijn van een verbond van Bosnië met Servië.
Deze verklaring, en de weigering van Servië om aan een reeks Oostenrijkse eisen te voldoen, werd door Oostenrijk aangegrepen om op 28 juli 1914 de oorlog te verklaren aan Servië. Hierop reageerde Rusland met een mobilisatie van het leger en een steunverklaring voor Servië. Dit leidde weer tot een mobilisatie van het Duitse leger en een oorlogsverklaring aan Rusland.
Een aantal landen zoals Denemarken, Nederland, Spanje en Zwitserland verklaren zich neutraal en weten zo buiten het oorlogsgeweld te blijven. Ook België had zich neutraal verklaard en zich daarbij verzekerd van de steun van Groot-Brittannië. Op 2 augustus 1914 eisen de Duitsers vrije doortocht door België om zo Frankrijk binnen te vallen. Als België deze eis afwijst, valt Duitsland op 4 augustus 1914 België binnen. Als reactie hierop verklaart Groot-Brittannië de oorlog aan Duitsland.
In korte tijd vormen zich zo twee partijen die met elkaar in oorlog zijn. Aan de ene kant zijn dit het Duitse Rijk, het Oostenrijks-Hongaarse Rijk en het Ottomaanse Rijk. Hier tegenover staat een coalitie van het Russische Rijk, het Britse Rijk en Frankrijk.
De gevolgen van de oorlog voor Nederland
Door zich neutraal te verklaren, weet Nederland oorlogsgeweld op eigen bodem te voorkomen, maar immuun voor de gevolgen van de oorlog is Nederland hierdoor niet.
Na de Duitse invasie in België vluchten ruim een miljoen Belgen naar Nederland. In Amsterdam arriveren veel vluchtelingen per trein die opvang nodig hebben. De Bijenkorf stelt ook het inmiddels leegstaande hulpgebouw als noodopvang voor deze vluchtelingen beschikbaar.
Onder de vluchtelingen zitten ook veel Belgen die zich via Nederland willen aansluiten bij de coalitie om tegen de Duitsers te strijden. Om deze vluchtelingenstroom tegen te gaan, plaatsen de Duitsers een 332 kilometer lang hekwerk met dodelijk schrikdraad langs de Nederlands-Belgische grens.
De inmiddels wereldwijde oorlog leidt tot een teruggang in de internationale handel die bovendien ook steeds gevaarlijker wordt. Naar schatting zijn rond de 300 Nederlandse schepen verloren gegaan door Britse mijnen en Duitse torpedo’s.
In de praktijk blijkt ook dat door de neutraliteitspolitiek de handel met de belangrijkste handelspartners, Groot-Brittannië en Duitsland, steeds moeilijker wordt. Terwijl Groot-Brittannië de handel met Duitsland blokkeert, willen de Duitsers juist meer Nederlandse producten en grondstoffen kopen.
De terugval in de economie leidt tot een toename van de werkloosheid en ook gaan belangrijke levensmiddelen, door schaarste, op de bon. Op 10 november 1918 vraagt de Duitse keizer Wilhelm II asiel aan in Nederland. Dit aftreden van de keizer was een voorwaarde voor het beëindigen van de oorlog. De volgende dag, 11 november 1918, komt een wapenstilstand tot stand en daarmee ook een einde aan de Eerste Wereldoorlog.
De vergelding door België
België had zich net als Nederland neutraal verklaard, maar werd desondanks door Duitsland binnengevallen. De Belgische overheid geeft na deze inval iedereen met de Duitse nationaliteit 24 uur de tijd om het land te verlaten. Na het verstrijken van deze termijn zou iedereen met de Duitse nationaliteit aangemerkt worden als spion en geëxecuteerd worden.
Tijdens de conferentie van Parijs op 8 en 9 oktober 1917 besluiten de geallieerde landen om bezittingen van de vijand onder sekwester te plaatsen om zo herstelbetalingen af te dwingen. De Belgische regering besluit om de in beslag genomen vijandelijke bezittingen gerechtelijk te verkopen. Ook het Grands Magasins Leonhard Tietz wordt in februari 1920 te koop aangeboden.
Belgische beleggers maken bezwaar tegen deze verkoop gezien het aantal aandelen dat zij in hun bezit hebben. Na de conferentie van Parijs en het sekwester zijn aandelen in Duits bezit, via een tussenpersoon in Nederland, verkocht aan deze Belgische beleggers. De rechter oordeelt dat op het moment van de beslaglegging het grootste deel van het aandelenkapitaal (>65%) in Duitse handen was. Voor de latere transacties ontbreekt het de beleggers aan de vereiste toestemming om handel te drijven met de vijand; deze transacties zijn daarom niet van belang.
De warenhuizen van Tietz worden door de rechtbank verkocht aan de maatschappij Les Grands Magasins A l’Innovation, opgericht door de joodse families Bernheim en Meyer.
Het risico van een sekwester voor Magazijn de Bijenkorf
Net als bij de Grands Magasins Leonhard Tietz is ook bij de Grand Magasins de Bijenkorf een meerderheid van de aandelen in Duits bezit. Onduidelijk is of de Belgische regering ook heeft overwogen om beslag te leggen op deze aandelen. Mogelijk is hiervan afgezien, omdat de Grand Magasins de Bijenkorf alleen statutair in België gevestigd is, maar uitsluitend in Nederland actief is.
Helemaal gerust was men kennelijk niet, want men besluit om de Belgische maatschappij om te zetten naar een Nederlandse maatschappij. In Nederland wordt op 13 maart 1919 de N.V. Magazijn de Bijenkorf opgericht met hetzelfde kapitaal, aantal aandelen en winstbewijzen als de Belgische maatschappij.
In een buitengewone vergadering van aandeelhouders van de Grand Magasins de Bijenkorf wordt besloten tot liquidatie van de Belgische maatschappij en de overdracht van de activa en passiva aan de opgerichte Nederlandse maatschappij. Door omwisseling van de Belgische aandelen en winstbewijzen in aandelen en winstbewijzen van de Nederlandse maatschappij wordt de omzetting voltooid.
De verdere uitbouw van Magazijn de Bijenkorf
De zaken gaan goed; in 1926 opent de Bijenkorf een tweede warenhuis in Den Haag en in 1930 volgt de opening van een warenhuis in Rotterdam.
In 1925 gaat Alfred Leonhard Tietz met enkele medewerkers naar de Verenigde Staten om de nieuwste ontwikkelingen in de detailhandel te bestuderen. Ook medewerkers van het Magazijn de Bijenkorf nemen aan deze reis deel. Tijdens deze reis maakt men kennis met het succesvolle concept van de ‘five and dime’-winkels van Woolworth.
Na terugkeer van de reis past men dit concept ook onmiddellijk toe in Duitsland en Nederland. Door de Leonhard Tietz AG wordt in Duitsland de EHAPE Einheitspreis Handels GmbH opgericht. Kort daarna wordt in Nederland door de N.V. Magazijn de Bijenkorf de dochteronderneming de Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam (HEMA) opgericht.
In Nederland heerst er een positief sentiment over vrijwel alles wat uit Amerika komt. Het affiche voor de opening van de eerste HEMA-winkel speelt ook in op dit sentiment met de afbeelding van een Amerikaanse skyline.
De advertentie met het productaanbod in de eerste HEMA-winkels maakt ook de winkelformule duidelijk; voor alle aangeboden producten geldt een eenheidsprijs van 25 cent of 50 cent. Dit principe wordt ook toegepast in de lunchroom, waar alle producten worden aangeboden tegen prijzen van 10, 25 en 50 cent.




De HEMA in de crisisjaren
Door de Amerikaanse beurskrach in oktober 1929 ontstaat een wereldwijde, langdurige recessie. In de jaren 1929-1940, de crisisjaren, neemt ook in Nederland de werkloosheid toe; één op de vier arbeiders is langer dan een jaar werkeloos. Om in de eerste levensbehoeften te kunnen voorzien, ontvangen werkelozen een financiële ondersteuning van de overheid.
De HEMA-winkels hadden vanaf de start te maken met een imagoprobleem. Bij de oprichting werd gesteld dat de winkels bedoeld waren voor mensen met een beperkt inkomen, dit werd in de volksmond al gauw de winkel voor arme mensen. Veel mensen wilden daarom uit schaamte of mogelijk statusverlies niet gezien worden in een winkel van de HEMA. Door de crisis gaan toch steeds meer mensen bij de HEMA winkelen, waardoor de omzet stijgt en het imagoprobleem verdwijnt.
De prioriteitsaandelen van Magazijn de Bijenkorf
Om de groei van de Bijenkorf te kunnen financieren, trekt men nieuw kapitaal aan door de uitgifte van aandelen. Het gevolg hiervan is dat ook het aandeel van de niet-Joodse investeerders in het kapitaal van de Bijenkorf toeneemt.
Door de uitgegeven prioriteitsaandelen is voorkomen dat deze niet-Joodse investeerders ook zeggenschap krijgen bij benoemingen van bestuurders. In totaal worden er 25 prioriteitsaandelen uitgegeven: 12 voor de Joodse Nederlandse oprichters en 12 voor de buitenlandse Joodse investeerders. Het laatste prioriteitsaandeel is in het bezit van de Amsterdamsche Bank en is bedoeld om bij het staken van de stemmen de doorslag te kunnen geven.
Adolf Hitler aan de macht in Duitsland
De wereldwijde economische crisis raakt Duitsland hard, zeker omdat Duitsland ook de door de Eerste Wereldoorlog ontstane schulden nog moet afbetalen.
De onvrede onder de Duitse bevolking groeit, wat in 1933 leidt tot de benoeming van Adolf Hitler tot rijkskanselier. Na zijn benoeming begint Hitler aan het proces van “Arisierung”, het ontdoen van de samenleving van niet-arische invloeden.
Onderdeel van het proces van “Arisierung” is ook een verbod op het gebruik van niet-arische namen in bedrijfsnamen. Omdat de bedrijfsnaam Leonhard Tierz AG verwijst naar de joodse oprichter, moest ook deze gewijzigd worden. In 1933 wordt de naam gewijzigd in Westdeutsche Kaufhof AG vormals (voorheen) Leonhard Tietz AG.
Het in de nieuwe naam verwijzen naar de oude naam werd op dat moment vaker gedaan, ook in Nederland. Men wilde zo voorkomen dat de opgebouwde naamsbekendheid en goodwill als gevolg van een naamswijziging verloren zou gaan.
In het geval van de Leonhard Tietz AG was het laten verdwijnen van de joodse naam juist het doel. In 1936 wordt de verwijzing naar de Leonhard Tietz AG definitief uit de bedrijfsnaam verwijderd.
Ook andere bedrijven met een niet-arische naam in de bedrijfsnaam moesten deze aanpassen. De naam van de firma Hermann Tietz wordt veranderd in Hertie GmbH, een samenvoeging van de eerste letters van de voor- en achternaam.
De “Arisierung” van bedrijven
De “Arisierung” van bedrijven bleef niet beperkt tot het wijzigen van niet-arische bedrijfsnamen; bedrijven moesten ook hun joodse medewerkers ontslaan. Om de “Arisierung” compleet te maken, moesten joodse bedrijfseigenaren hun aandelenbezit gedwongen verkopen tegen een fractie van de werkelijke waarde.
Doordat de Deutsche Bank en de Commerzbank, als huisbankiers van de Leonhard Tietz AG, dreigden de kredieten op te zeggen, gaf Alfred Leonhard Tietz zijn bestuursfuncties op. Tenslotte moest de familie Tietz in 1934 haar aandelen in het bedrijf verkopen aan de Dresdner Bank. De beurskoers van het aandeel was op dat moment, als gevolg van de “Arisierung”, al gedaald van rond de 300% naar 11%. Samen met de Commerzbank en de Deutsche Bank werd de Dresdner Bank hierdoor eigenaar van de Westdeutsche Kaufhof AG.
Na de gedwongen verkoop van hun aandelen vertrokken ook de laatste leden van de familie Tietz naar Nederland. Andere leden van de familie waren al eerder naar Nederland uitgeweken.
Enkele aandelen van de Commerzbank en de Deutsche Bank
Hieronder worden een drietal aandelen weergegeven van de Commerzbank (2x) en de Deutsche Bank met Nederlandse belastingstempels. Nadat Nederland in 1940 door Duitsland is bezet, vaardigt dit een Deviezenverordening uit. Met de Deviezenverordening werd de verplichting ingevoerd om goud, edele metalen, buitenlandse betaalmiddelen en buitenlandse geldswaardige papieren aan te melden bij de Nederlandsche Bank.
Voor buitenlandse effecten die eerder niet naar Nederland waren ingevoerd, moest men nu alsnog belasting betalen. Dit verklaart ook het relatief hoge aantal belastingstempels uit het jaar 1940.
Het verschil in de betaalde belasting tussen de beide aandelen van de Commerzbank is opvallend. Bij de verplichte aanmelding in 1940 wordt f 0,10 belasting in rekening gebracht, terwijl in 1942 f 1,25 betaald moet worden. De hoogte van de te betalen belasting wordt vastgesteld op basis van de actuele waarde van het aandeel. Gezien de koers van het aandeel in 1940 en 1942 is het duidelijk dat in 1940, bewust of onbewust, te weinig belasting is berekend.
Het aandeel van de Deutsche Bank is in 1941 gestempeld met de vermelding art. 67. Dit stempel geeft aan dat dit aandeel een ouder aandeel, waarvoor al eerder belasting is betaald, vervangt. Door de Deutsche Bank zijn in september 1940 nieuwe aandelen uitgegeven ter vervanging van de oude aandelen.
De personele inbreng vanuit de Leonhard Tietz AG
De betrokkenheid van de Leonhard Tietz AG bij het Magazijn de Bijenkorf is ook zichtbaar in de personele inbreng. Hierna zal ingegaan worden op de rol van enkele prominente personen: F. Hochheimer, L. Meyer en Alfred Leonhard Tietz.
Op zoek naar kapitaal voor hun warenhuis de Bijenkorf komt de firma Goudsmit uit bij F. Hochheimer, de directeur van het warenhuis Tietz in Brussel. Deze slaagt erin het benodigde kapitaal bij elkaar te krijgen. Hiermee wordt in oktober 1911 de vennootschap Grand magasins de Bijenkorf opgericht. Door zijn bemoeienis bij het aantrekken van het kapitaal bezit Hochheimer zeven van de twaalf prioriteitsaandelen, bestemd voor buitenlandse (joodse) beleggers. Hiermee heeft Hochheimer, als lid van de raad van beheer, een belangrijke stem bij de benoeming van de bestuurders van de Bijenkorf. Ook is Hochheimer lid van de raad van bestuur van de Leonhard Tietz AG
Bij de opening van het warenhuis de Bijenkorf in 1914 bestaat het dagelijks bestuur uit Arthur Isaac en Leo Meyer, die beide als directeur-generaal optreden. Hierbij vertegenwoordigt Arthur Isaac de inbreng namens de firma Goudsmit en is Leo Meyer door de Leonhard Tietz AG naar voren geschoven als directeur-generaal. Daarnaast zijn Arthur Isaac en Leo Meyer ook lid van de raad van beheer van de Bijenkorf. Ook is Leo Meyer eigenaar van drie prioriteitsaandelen, uitgegeven aan buitenlandse (joodse) beleggers.
Kort na de opening van de Bijenkorf in 1914 overlijdt Leonhard Tietz. De leiding van de Leonhard Tietz AG wordt overgenomen door zijn zoon Alfred Leonhard Tietz, die ook lid wordt van de raad van bestuur van het Magazijn de Bijenkorf.
De Duitse inval in Polen
Op 1 september 1939 valt Duitsland Polen binnen; dit wordt gezien als het begin van de Tweede Wereldoorlog. Na deze inval nemen M. Grünbaum, L. Meyer, A. Schöndorff, en A. Tietz, de vier leden van de Raad van Beheer van Magazijn de Bijenkorf met een Duitse nationaliteit, ontslag.
De directeur-generaal L. Meyer vertrekt naar de Verenigde Staten; zijn drie prioriteitsaandelen draagt hij over aan de Transadine Handelmaatschappij van F. Hochheimer. Hierdoor blijft de verdeling van 12 prioriteitsaandelen voor zowel de Nederlandse investeerders als de buitenlandse investeerders intact.
Het feit dat F. Hochheimer inmiddels genaturaliseerd is tot Nederlander is voor de typering van de prioriteitsaandelen niet van belang. Door de naturalisatie kan Hochheimer wel aanblijven als lid van de Raad van Beheer van de Bijenkorf.
Alfred Leonhard Tietz vertrekt in 1940, vlak voor de Duitse inval in Nederland, met zijn familie naar Palestina.
De vrijwillige “Arisierung” door Magazijn de Bijenkorf
Op 10 mei 1940 valt het Duitse leger ook Nederland binnen. Na vijf dagen verzet wordt Nederland door de Duitsers bezet.
De bestuurders van de Bijenkorf beseffen dat de kans groot is dat de Duitsers ook in Nederland over zullen gaan tot de “Arisierung” van bedrijven. Om de Bijenkorf uit de handen van de Duitsers te houden, besluit men zelf actie te ondernemen.
Joodse bestuurders worden vervangen door loyale niet-Joodse bestuurders en de belangrijke prioriteitsaandelen worden ondergebracht in een firma met de naam Bijko-Priora (Bijenkorf-Prioriteitsaandelen).
Om de Bijenkorf uit de handen van de Duitsers te houden, verkopen de leden van de families Goudsmit en Isaac hun 12 prioriteitsaandelen voor 100 gulden per stuk aan de Bijko-Priora. Hochheimer had een andere strategie; hij vroeg en kreeg 100.000 gulden voor zijn 10 aandelen. De Raad van Beheer van de Bijenkorf ging akkoord met dit bedrag, omdat Hochheimer ermee dreigde de aandelen aan de Duitsers te verkopen.
De Bijko-Priora bezat hierdoor 22 van de 25 prioriteitsaandelen. Niet in het bezit van de Bijko-Priora zijn de twee prioriteitsaandelen van de Belgische familie Feldheim en het aandeel van de Amsterdamsche Bank.
Magazijn de Bijenkorf in Duitse handen
Het plan om Magazijn de Bijenkorf uit Duitse handen te houden, werkte niet. De Duitse bezetters stellen in maart 1941 een Verwalter aan als vervanger van de Raad van Beheer. In 1942 volgt de benoeming van een Verwalter die de verkoop van Magazijn de Bijenkorf moet regelen.
Inmiddels was de verkoop van de prioriteitsaandelen aan de Bijko-Priora door de Duitsers ongeldig verklaard. De prioriteitsaandelen werden ondergebracht bij de Lippmann-Rosenthal bank. Bij deze bank moesten de Joodse aandeelhouders ook hun andere aandelen in Magazijn de Bijenkorf inleveren.
In 1943 verkopen de Duitse bezetters Magazijn de Bijenkorf aan de Duitse firma Riensch & Held en de Duitse zakenman Fritz Kötter. De Lippmann-Rosenthal bank krijgt de opdracht om de bij hen gedeponeerde aandelen van Magazijn de Bijenkorf uit te leveren. De firma Riensch & Held ontvangt dertien prioriteitsaandelen en 900.000 gewone aandelen. Fritz Kötter wordt eigenaar van negen prioriteitsaandelen en 400.000 gewone aandelen.
De wederopbouw van de Westdeutsche Kaufhof AG
Na het einde van de Tweede Wereldoorlog wordt in Duitsland werk gemaakt van de wederopbouw. Door de bombardementen van de geallieerde troepen waren ook de vestigingen van de Westdeutsche Kaufhof zwaar getroffen.
Op het moment dat de familie Tietz in 1934 gedwongen hun aandelen moet verkopen, heeft de Leonhard Tietz AG 41 vestigingen en 13.000 medewerkers. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn er nog maar enkele vestigingen in bedrijf.
De nabestaanden van de in 1941 in Palestina overleden Alfred Leonhard Tietz maken duidelijk dat ze niet terug willen keren naar Duitsland. Wegens de gedwongen verkoop van hun aandelen in 1934 ontvangt de familie Tietz een schadevergoeding van 5 miljoen DM.
Onder de nieuwe naam Kaufhof AG bouwt men het bedrijf weer op en groeit het uit tot een van de grootste warenhuisketens van Europa.
Voor haar groei heeft het bedrijf voortdurend financiële middelen nodig. In 1989 schrijft de in Nederland gevestigde Kaufhof Finance BV een lening uit van 100.000.000 DM, aflopend in 1992. Hierop aansluitend schrijft de Kaufhof Plus Finance BV in 1992 opnieuw een lening uit van 100.000.000 DM.
De machtsstrijd om de Bijenkorf
Na de Tweede Wereldoorlog eisen de Nederlandse joden de teruggave van hun, door de Duitsers gestolen, aandelen in Magazijn de Bijenkorf. Duitsland wordt na de Tweede Wereldoorlog door de geallieerden opgedeeld in twee staten, Oost-Duitsland en West-Duitsland. De aandelen van het Magazijn de Bijenkorf bevinden zich in het onder Russisch toezicht staande Oost-Duitsland. Het proces van rechtsherstel blijkt moeizaam en duurt lang.
Na zijn optreden bij de verkoop van de prioriteitsaandelen aan de Bijko-Priora willen de families Goudsmit en Isaac niet dat F. Hochheimer terugkeert als bestuurder van de Bijenkorf. De voormalige bestuurders Alfred Goudsmit en Frits Isaac worden aangesteld als lid van de Bijko-Priora en kunnen zodoende hun functies binnen Magazijn de Bijenkorf weer bekleden.
Goudsmit en Isaac dienen vervolgens in februari 1946 een claim in voor 21 van de 22 prioriteitsaandelen van de Bijko-Priora. Deze claim betrof de 11 aandelen die men zelf had ingebracht en de tien aandelen die voor 100.000 gulden waren gekocht van de Transadine Handelmaatschappij. Het prioriteitsaandeel in bezit van een zwager van Alfred Goudsmit maakt geen deel uit van deze claim.
Door geen ruchtbaarheid aan de ingediende claim te geven, wil men een reactie van Hochheimer voorkomen. Dit lukt niet, want eind 1946 dient de Transadine Handelmaatschappij een claim in voor de tien prioriteitsaandelen die ze voor 100.000 gulden hadden verkocht aan de Bijko-Priora.
Met de verkoop van de twee prioriteitsaandelen van de Belgische familie Feldheim aan de Bijko-Priora komt in 1953 een einde aan de machtsstrijd. De familie van de in 1951 overleden F. Hochheimer beseft dat men nu ook met de geclaimde tien prioriteitsaandelen altijd weggestemd kan worden. Nadat de zoon van de overleden F. Hochheimer een functie krijgt als commissaris bij de HEMA, besluit de familie Hochheimer om hun claim op de prioriteitsaandelen in te trekken.
De samenwerking met het administratiekantoor Interland
Voor de verdere uitbouw van het bedrijf en de vervanging van tijdens de Tweede Wereldoorlog beschadigde gebouwen moet de Bijenkorf nieuw kapitaal aantrekken. Men wil echter niet dat door de uitgifte van nieuwe aandelen de invloed van aandeelhouders toeneemt.
Aandeelhouders hebben het recht om op de jaarlijkse vergadering het bestuur te bevragen. Dit kan zijn over het gevoerde beleid, het voorgenomen beleid of andere zaken die het bedrijf betreffen. Op de vergadering van aandeelhouders wordt ook de jaarrekening vastgesteld en wordt beslist over de benoeming, het ontslag en de beloning van bestuurders. Ook moeten belangrijke besluiten over bijvoorbeeld fusies, overnames en wijziging van de statuten door de aandeelhouders worden goedgekeurd.
Om ongewenste invloed van de aandeelhouders te voorkomen, besluit men om te gaan samenwerken met het administratiekantoor Interland. Interland neemt aandelen van Magazijn de Bijenkorf in depot en verkoopt certificaten van aandelen aan de beleggers. Het certificaat van aandeel heeft alle eigenschappen van het oorspronkelijke aandeel, behalve het stemrecht op de algemene vergadering van aandeelhouders. Dit stemrecht blijft verbonden aan de oorspronkelijke aandelen en wordt uitgeoefend door het administratiekantoor Interland.
De omwisseling van winstbewijzen in certificaten van aandeel
Bij de oprichting in 1911 van de Belgische vennootschap Grand Magasins de Bijenkorf zijn 5000 winstbewijzen uitgegeven. Als deze vennootschap in 1919 wordt omgezet in de Nederlandse vennootschap N.V. Magazijn de Bijenkorf, verhuizen ook de winstbewijzen mee.
Volgens de statuten heeft Magazijn de Bijenkorf het recht deze winstbewijzen af te kopen tegen 500 gulden in contanten of met twee gewone aandelen.
In 1952 vraagt een groep houders van winstbewijzen aan Magazijn de Bijenkorf om de winstbewijzen om te wisselen. De houders van winstaandelen stellen voor om elk winstcertificaat in te ruilen voor een gewoon aandeel van nominaal 200 gulden en een contante vergoeding om de verschuldigde belasting te betalen.
Het bestuur van Magazijn de Bijenkorf gaat akkoord, maar wil alleen certificaten van aandelen aan de houders van winstbewijzen verstrekken. Het administratiekantoor Interland stelt dat men door de uitgifte van de certificaten van aandelen “Überfremdung” wil tegengaan. Het overgrote deel van de winstbewijzen is namelijk uitgegeven aan Joodse beleggers uit België en Duitsland. Deze beleggers verschaften in 1911 zo’n 75% van het startkapitaal van de Grand Magasins de Bijenkorf.
De houders van winstbewijzen accepteren, ondanks het nodige verzet, het voorstel om de winstbewijzen om te wisselen tegen certificaten van aandeel.
De wijziging van de bedrijfsnaam
Het door S.P. Goudsmit in 1870 opgerichte bedrijf is sindsdien actief geweest onder de naam Magazijn de Bijenkorf. Het bedrijf heeft zich door de oprichting van de HEMA in 1925 en de aankoop van de sportwinkels Perry van der Kar in 1959 ontwikkeld tot een holding. In 1966 richt men daarom de holding Bijenkorf Beheer N.V. op met aparte werkmaatschappijen voor de Bijenkorf, de HEMA en Perry van der Kar.
Bij het 100-jarige bestaan van het bedrijf in 1970 krijgt Bijenkorf Beheer N.V. de koninklijke status en gaat verder als N.V. Koninklijke Bijenkorf Beheer KBB. Door deze naamswijziging moeten de certificaten van aandelen vervangen worden. Bij deze gelegenheid wordt ook besloten om een aandelensplitsing door te voeren, waarbij de nieuwe nominale waarde van een aandeel wordt vastgesteld op ƒ 20. Het doel van een aandelensplitsing is de verhandelbaarheid van de aandelen te vergroten. De nieuwe certificaten zijn daarom beschikbaar in coupures van 1, 20 of 50 aandelen van nominaal ƒ 20,- per stuk. Met het certificaat van één aandeel wordt de minimale investering teruggebracht van een aandeel van ƒ 200,- nominaal naar een aandeel van ƒ 20,- nominaal. Hierdoor wordt het aandeel aantrekkelijker voor een grotere groep beleggers.
Bij de uitgifte van de certificaten in 1971 kunnen beleggers ook kiezen om hun certificaten van gewone aandelen om te wisselen in door het Centrum voor Fondsenadministratie geadministreerde CF-stukken.
Hoewel beleggers steeds vaker kiezen voor CF-stukken, zijn er ook nog beleggers die kiezen voor de klassieke certificaten (k-stukken). Aan de houders van deze k-stukken worden in 1979 nieuwe certificaten uitgereikt.
De fusie tussen Vendex en Koninklijke Bijenkorf Beheer
In 1976 maakt KBB bekend dat 40% van haar aandelen is opgekocht door de Nederlandse concurrent Vroom & Dreesman. Door Vroom & Dreesman wordt bevestigd dat men vooral grote pakketten aandelen uit het buitenland heeft gekocht om KBB te beschermen tegen agressieve buitenlandse concurrenten.
Een eventuele overname van KBB door een buitenlandse concurrent zou ook nadelig kunnen zijn voor de concurrentiepositie van Vroom & Dreesman. Op het aanbod van Vroom & Dreesman om de aandelen aan KBB te verkopen, wordt niet ingegaan. De vraagprijs van Vroom & Dreesman ligt bijna 35% boven de laatste beurskoers.
In 1985 wordt de naam van de Vroom & Dreesman Group gewijzigd in Vendex International N.V. Het bedrijf heeft ook nog steeds het strategische belang in de concurrent KBB. In oktober 1996 maakt Vendex bekend dat het van het tot 36% verwaterde belang in KBB af wil. Vendex ziet geen mogelijkheden meer om met KBB samen te werken.
Anderhalf jaar later, in februari 1998, kondigen beide bedrijven een fusie aan en gaat men verder als Vendex KBB N.V.
Bekijk mijn aanbod van oude waardepapieren op verzamelwaar.envees.nl





























